Het allereerste begin van de boermarke
Marke betekent grens. De marke is een begrensd gebied.
In de tijd dat de Germanen zich (reeds voor Christus) op vaste plaatsen in Nederland vestigden en akkerbouw gingen bedrijven, zijn de eerste marken ontstaan. Een stam, die een bepaald gebied in bezit nam, ging dat gebied afbakenen of te wel begrenzen. Het gebied binnen de grenzen noemde men marke. Het door een stam in bezit genomen gebied werd door de leden van de stam gemeenschappelijk gebruikt.
De geschiedenis van Drenthe
In 785 werden de Germanen onderworpen door Karel de Grote. Drenthe werd een deel van het Duitse Rijk. In het jaar 1025 stelde keizer van Duitsland Drenthe als graafschap onder beheer van de bisschop van Utrecht. Er kwam in de 13de eeuw boerenopstand in Drenthe tegen de bisschoppelijke zijn belastingpolitiek. Die onvrede leidde in 1227 tot de ‘Drentse Guldensporenslag’ met als hoogtepunt de slag bij Ane. In de slag bij Ane sneuvelden de toenmalige bisschop Otto van Utrecht en 400 ridders (door de boeren en hun vrouwen afgeslacht).
Omstreeks 1300 werd het bestuur in de Landschap Drenthe vernieuwd. De ‘Olde Landschap’ werd verdeeld in 6 dingspillen, ieder met een eigen gerecht. Het dingspil Rolde was het centrum van bestuur en aldaar was ook de zetel van het hoogste rechtscollege, de etstoel, gevestigd. De zittingen (lottingen) werden gehouden in de Ballerkuilen, welke bijeenwoonden door afgevaardigden (etten) van de dingspillen. Zij waren de rechters, die onder leiding stonden van de Drost, de plaatsvervanger van de Bisschop. Bekende dingspillen waren Rolderdingspel, Zuiderveld, Noordenveld, Oostermoer, Dieverderdingspel en Beilerdingspel.
In 1393 stierf de bisschop van Utrecht. De macht van de kerk nam af en de macht van de adel met de heren van Gelre, Holland en Brabant nam toe. Zij benoemden de nieuwe bisschop, een familielid van de hertog van Gelre, genaamd bisschop Frederik van Blankenheim.
De nieuwe bisschop Frederik richtte al vrij snel zijn aandacht op de Landschap Drenthe en wenste af te rekenen met kasteelheer Reinoud van Coevorden. Hij beschouwde Reinoud als een vazal van de oude bisschop en vond dat hij het gezag van de nieuwe bisschop voortdurend ondermijnde. Dit leidde in 1395 tot het beleg van Coevorden. Reinoud verloor de slag om Coevorden.
In 1402 deed Reinoud afstand van de Heerlijkheid Coevorden en de bisschop regelde terstond een ontmoeting met de Drenten. Frederik liet twaalf vaten bier aanrukken, opdat de ‘gezworen’ mannen (de etten) van het gemene land van Drenthe onder een stevige dronk des te vaster de behandelde zaken in het geheugen zouden prenten.
Het werkte. De achtbaren kwamen tot goede stemming en riepen hun bisschop (landsheer) geestdriftig toe: “Wij willen uw gebod nakomen en willen in uw naam drinken vrolijk zijn.” De etten van Drenthe sloten vrede met de landsheer. De landsheer beloofde de Drenten het ongeschreven landrecht door geleerden op schrift te laten stellen om daarmee geschillen tussen landsheren en onderzaten van Drenthe te voorkomen.
Het resultaat was dat in 1412 het tot dan toe ongeschreven landrecht vastgelegd werd in het Eerste Drentse Landrecht. De Drenten kregen nu ook wettelijk recht om verordeningen (willekeuren) te maken. De markeorganisatie (buurmarken of boermarken) met haar volmachten en boervergaderingen was autonoom en voorzag in alle behoeften van ieder dorp. Andere bestuursorganen waren er niet. De boermarke kreeg formele publiekrechtelijke status en was in feite de voorloper van het huidige gemeentebestuur. Het optreden van Frederik van Blankenheim is van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van de macht van de boermarken in Drenthe. Pas in 1804, bijna 400 jaar later, werd het Landrecht vervangen door het Burgerlijk Wetboek (Code Civil van Napoleon).
Begin 16de eeuw werd rechtspraak en bestuur formeel gescheiden. De rechtspraak bleef bij de Etstoel. Het bestuur werd uitgeoefend door de Landdag van Ridderschap (edelen) en Eigenerfden (vooraanstaande boerengeslachten). De Landdag werd ook wel ‘Staten van de Landschap Drenthe’ genoemd.
Het ontstaan van de boermarke
Omstreeks 1250 leek het er op dat door de bevolkingstoename onvoldoende grond beschikbaar zou zijn voor iedereen. Immers bevolkingsgroei betekende dat er meer landbouwgrond nodig was, meer schapen en vee nodig voor melk, vlees en bemesting, meer hout nodig voor woningbouw en verwarming. De tot dan toe onbeperkte groei van de veestapel, het onbeperkt plaggen steken en de houtkap konden niet doorgaan. De gronden zouden veranderen in zandverstuivingen en uiteindelijk zou er hongersnood komen. Het gebruik van de gronden moest worden geregeld.
In die tijd waren de boerenerven en de daaraan grenzende essen (reeds ontgonnen landbouwgrond, eigendom van de eigenaar van de boerderij (de eigenerfden boeren). De essen waren meestal begrensd door middel van een beboste wal, ook wel eswal, vreding of wildgraaf genoemd. De woeste gronden, heidevelden en bossen waren nog niet ontgonnen en waren gemeenschappelijk bezit. In de verschillende nederzettingen (dorpen) werden door de eigenerfde boeren markenorganisaties (boermarken) opgericht. De boermarken stelden regels en verordeningen, genaamd willekeuren, op om het bestuur van de boermarke en het gebruik van de gronden te regelen.
Wat het bestuur betreft, kozen de markegenoten op jaarlijks te houden boerenvergaderingen uit hun midden de volmachten die het bestuur van een marke vormden. De volmachten traden op namens de hele dorpsgemeenschap. De inkomsten van de boermarke kwamen uit houtverkoop en de jacht. Hiermee werd het onderhoud van zand- en waterwegen bekostigd.
Wat betreft het gebruik van de grond werden regels gesteld aan het gebruik van de gemeenschappelijke gronden. Eerst ging men in overleg met de eigenerfde boeren van naburige dorpen en werden dorpgrenzen vastgesteld. Dat waren dan de markegrenzen, het begrensde gebied. De markegrenzen werden vaak gevormd door natuurlijke scheidingen zoals boswallen, wegen en waterwegen. Waren er geen natuurlijke grenzen, dan werd de grens veelal gemarkeerd met grote zwerfkeien. Het bepalen en bewaken van de grenzen ging nogal eens gepaard met hevige en soms zelfs met gewapende conflicten.
Het gemeenschappelijk gebruik werd geregeld door middel van aandelen (later waarden genaamd). Het aantal waardelen werd bepaald op basis van de oppervlakte van de gemeenschappelijke gronden. Dit aantal werd verdeeld onder de boeren. Iedere eigenerfde boer kreeg op basis van de grootte van zijn boerderij één waardeel of een deel van één waardeel. De grootte werd op sommige plaatsen gemeten in het aantal paarden dat men nodig had om zijn land te bewerken. Een achtpaardsplaats gaf recht op één waardeel, een zes- of vierpaardsplaats gaf recht op een half waardeel, etc.
Slechts enkele bijzondere personen zoals de schulte kregen twee of zelfs drie waardelen. Het aantal waardelen per boermarke was definitief, hetgeen in latere jaren leidde tot splitsing in delen van waardelen, bijvoorbeeld éénachtste waardeel.
Iedere boer met tenminste één vierde waardeel (een vorrel) was markegenoot en werd toegelaten tot de boerenvergadering. De meiers (pachtboeren) en keuterboeren (landarbeiders) behoorden niet tot de markegenoten.
Op basis van de aandelen had men rechten en plichten met betrekking tot het gebruik van de gemeenschappelijke gronden. Rechten omtrent de hoeveelheid plaggen die men mocht steken, de hoeveelheid hout die men mocht kappen en de hoeveelheid vee die men op de gemeenschappelijke weiden mocht laten grazen. Ook had iedere waardeelhouder jachtrecht. Men had plichten omtrent het aantal telgen (jonge bomen) dat men moest planten.
Voorts werden er regels opgesteld voor het begraven van dood vee, het onderhoud van waterleidingen en wegen, de zondagsrust, begrafenissen, de zorg voor onderwijs, de handhaving van rust en veiligheid, de brandweer en naoberhulp (bij ziekte). Moest er naoberhulp op grotere schaal verleend worden (bijvoorbeeld bij oogst binnenhalen voor een zieke boer of herbouw van een schuur), dan werden de ingezetenen door middel van de boerhoorn bijeengeroepen om te helpen.
De waardelen waren verbonden aan de boerderij. Die rechten gingen bij vererving of verkoop over op de nieuwe boer (markegenoot). In latere jaren konden waardelen zelfs verhandeld worden, waardoor ‘buitenerfden’ toetreden tot de boermarke. Dit kwam het sociale karakter van de boermarken niet ten goede omdat de ‘buitenerfden’ slechts belang hadden bij eigen voordeel. Deze ontwikkeling heeft ook aanzienlijk bijgedragen tot scheiding en deling van de gemeenschappelijke grond.
Boerschap
Naast de boermarke (eigenerfde boeren/markegenoten) was er veelal nog een boerschap, waartoe alle ingezetenen van de nederzetting (dorp) behoorden. De boerschap vertegenwoordigde het dorpsbelang. De boerschap kende strakke en streng omschreven regels en gewoonten. Overtredingen werden streng gestraft.
Het einde van de boermarke
Door de eeuwen heen tot aan de Franse tijd hadden de ridders noch de kerk zeggenschap van betekenis gekregen. Het waren de boeren die het voor het zeggen hadden in Drenthe. Een boerenbewind dus. ‘De Boerenrepubliek Drenthe’ zou men kunnen zeggen.
Na de inlijving bij Frankrijk begin 1800 werd Drenthe onder regiem van koning Lodewijk Napoleon een zelfstandige provincie van het Koninkrijk der Nederlanden (voorheen de Bataafse Republiek). Provincies werden verdeeld in gemeenten. Tot dan toe heette Drenthe de Landschap Drenthe en was het geen provincie, behorende tot de toenmalige Zeven Provinciën van 1579.
De Provincie en de gemeenten namen de publiekrechtelijke taak, het maken van verordeningen (willekeuren), van de marken over. De bijeenkomsten van de volmachten werd niet meer als gezaghebbend erkend. De boermarke verloor daardoor haar formele publiekrechtelijke status. Materieel veranderde er echter weinig, omdat de volmachten in het gemeentebestuur werden benoemd. Daardoor was er sprake van verstrengeling van belangen.
Pas in 1851 werd de Gemeentewet van Thorbecke van kracht en werden de lokale besturen democratisch gekozen. Toen was de publiekrechtelijke macht van de boermarken echt voorbij.
Zo omstreeks 1850 werden de bestuurs-organen zoals Rijk, Provincie en Gemeente uitgebreid met de Waterschappen. Direct na 1900 ontstonden in de dorpen specifieke belangenverenigingen, zoals de landbouwverenigingen, begrafenisverenigingen, groene kruis, sportverenigingen, zuivelcoöperaties. De boermarke en boerschap verloor zijn greep op de dorpssamenleving, dit mede omdat de dorpen steeds meer bevolkt werden door niet-agrariërs.
Naast de ingrijpende, bestuurlijke vernieuwing stelde Koning Lodewijk Napoleon een aantal wetten op die de verdeling en ontbinding van de boermarken op vrijwillige basis moest regelen, dit om de ontginning van de toen nog in ruime mate aanwezige woeste gronden te bevorderen. De boermarken werden bij wet verplicht één keer per jaar te beraadslagen over de verdeling van de gemene gronden en zij moesten een commissie vormen die een plan van verdeling moest opstellen en die de ontbinding moest regelen.
In 1828 was de totale grondoppervlakte van Drenthe verdeeld in 50% markegrond en 50% particuliere grond. Rond 1900 was nog slechts 10% markegrond. In 1795 woonden er 40.000 mensen in Drenthe. In 1900 150.000 mensen.
De wetten van Lodewijk Napoleon bleken niet voldoende dwingend te zijn, want de vrijwillige markescheidingen en ontbinding kwamen maar moeizaam of helemaal niet op gang. De verdeling kostte geld en moeite en bij ontbinding verloor de boermarke haar machtspositie.
Toch bleef men verdeling van grond noodzakelijk vinden voor de verdere ontwikkeling van de landbouw (ontginning van woeste grond) en voor vermeerdering van de algemene welvaart. Men constateerde dat er roofbouw op de grond werd gepleegd.
Niemand wilde arbeid en geld steken in ontginning, onderhoud en ontwikkeling van de markegrond en iedereen probeerde zoveel mogelijk van deze grond te profiteren. De spreuk ‘mandegoed schandegoed’ kwam voort uit deze discussie en het betekende dat gemeenschappelijk gebruik de eigenaar tot schande strekt.
Men verwachtte dat de binding van individuen en eigen stukje grond leidde tot zorgvuldiger beheer en motiveerde tot verbeteringsinspanningen van de (eigen) grond.
Om de scheiding, deling en ontbinding dwingend te regelen werd in de Markenwet van 10 mei 1886 geregeld dat iedere markegenoot (waardeelhouder) de verdeling van de markegronden kon vorderen. Het gemeenschappelijk grondbezit was ten einde. De gemene gronden van de marken werden, soms via veroordeling door de rechtbank, juridisch verdeeld onder de waardeelhouders.
Het eigendomsysteem met waardelen hield hierdoor op te bestaan. De gemeenschap werd opgeheven en vervangen door individueel bezit. De boermarke verloor daardoor haar privaatrechtelijke status.
Leeft de boermarke nog?
Sinds de Gemeentewet van 1851 hebben de Gemeenten, naast Rijk en Provincie, het recht van de boermarken om verordeningen uit te vaardigen overgenomen. Sindsdien hebben de boermarken hun publiekrechtelijke status verloren.
Met de opkomst van de Waterschappen hebben de boermarken hun functie met betrekking tot het beheer van de waterhuishouding in hun markegebied eveneens verloren.
Vanaf omstreeks het jaar 1900 is het gemeenschappelijk grondbezit definitief verdeeld onder de waardeelhouders en is alle grond in particuliere handen terechtgekomen. De boermarke heeft dus geen taak meer voor gemeenschappelijk beheer en exploitatie van gronden en heeft daarmee haar privaatrechtelijke functie verloren.
De gemeenschappelijke dorpsbelangen zijn in de loop der jaren opgepakt door allerhande specifieke verenigingen. De boermarke heeft daardoor zelfs haar sociale status in het dorpsgebeuren verloren.
Voor de Franse tijd had de boermarke een duidelijke juridische status. In het Nieuw Burgerlijk Wetboek van 2000 is geen plaats voor de boermarken ingeruimd. De boermarke had dus geen juridische status meer. Overeenkomstig de wettelijke voorschriften van weleer om na de verdeling van de markegronden de boermarken te ontbinden zijn in Nederland, behalve in Drenthe, alle boermarken ontbonden. Ontbinding was ook logisch, omdat de taak en de functie van de boermarke geen serieuze en formele betekenis meer had.
In Drenthe bestaat echter nog steeds een Vereniging van Drentse boermarken die nog 82 zelfstandige boermarken telt. Oorspronkelijk waren er 108 boermarken in Drenthe.
Veel van die Drentse boermarken hebben nog eigendommen zoals brinken, ijsbanen, kleine landschapselementen en bosjes en maken zodoende nog deel uit van het maatschappelijk leven in de dorpen. Ook verhuren zij op veel plaatsen nog de jacht. Omdat de boermarken vanuit het verre verleden een goede naam hebben, zijn ze ook nog wel eens aanspreekpunt van overheid en instanties bij specifieke boerenzaken.
De wettelijke status van de boermarke
In het huidige Burgerlijk Wetboek van 2000, waarin ondermeer alles omtrent organisaties is geregeld, is de boermarke niet genoemd als een in Nederland zelfstandig voorkomende organisatie. Mede daardoor kon de boermarke niet in het Handelsregister worden ingeschreven.
Door dit gemis aan een juridische status kwam de boermarke en het bestuur (volmachten) als gevolg van de Wet Identificatie Dienstverlening in moeilijkheden. De boermarke en hun bestuurders konden niet worden geïdentificeerd. De boermarke bestond dus, wettelijk gezien, niet. Met deze constatering is een einde gekomen aan de gedachte als zou de positie van de boermarke vanuit haar van ouds gevestigde status (van vóór 1800) krachtens het gewoonterecht nog onaangetast zijn. Om toch de boermarke een plaats te geven in ons rechtsbestel is op initiatief van de Vereniging Drentse boermarken en in overleg met de overheid op 11 september 2003 een Stichting Register Rechtspersonen Boek 2 Plus opgericht. Deze Stichting is gevestigd bij een protocolhoudende registernotaris van het Notariaat Zuidlaren.
Deze Stichting is bedoeld voor organisaties van oude oorsprong, van vóór de invoering van de Code Civil (Burgerlijk Wetboek) van Napoleon. Hieronder vallen naast de boermarken ook Gilden en Buurschappen.
De boermarken die zich in dit Rechtspersonenregister hebben ingeschreven, bezitten rechtspersoonlijkheid en voor hen is Boek 2 Rechtspersonen van het Burgerlijk Wetboek van toepassing. De boermarke is dus drager van rechten en plichten. De bestuurders van een rechtspersoon zijn in beginsel niet persoonlijk aansprakelijk, tenzij zij hun opgedragen taak niet behoorlijk vervullen, niet bevoegde handelingen verrichten of hun onbehoorlijk bestuur verwijten kan worden. De boermarke is daarmee formeel gered.
Heeft de boermarke nog toekomst?
De huidige boermarken hebben nu de taak om het maatschappelijk verkeer duidelijk te maken wat hun maatschappelijke betekenis en hun maatschappelijk toegevoegde waarde is. Als ze daar niet in slagen, dan is de boermarke nog slechts een nostalgische fictie zonder toekomst.
Natuur is er thans voor gemeenschappelijk (recreatief) gebruik. Vroeger hebben de boermarken de natuur (heide, veen, bos) in Drenthe op grond van economische motieven voor gemeenschappelijk gebruik weggenomen (ontginning). Heden ten dage wordt door middel van natuurontwikkelingsprojecten gestimuleerd de natuur weer terug te brengen in Drenthe. Als de boermarken van vandaag zich inspannen om dit te realiseren, dan kunnen zij de cirkel weer rond maken. Oude markegronden kunnen dan wederom gemeenschappelijk (recreatief) gebruikt worden en de boermarken kunnen een brede maatschappelijke erkenning daarvoor terugkrijgen.
Literatuur:
- Deining in Drenthe, H.J. Prakke, Assen, 1955
- Harm Tiesing Landbouw en Volksleven in Drenthe II, Edelman 1974
- Drentse Historische Studiën V, Buurschap en Marke, Heringa 1982.
- Mandegoed Schandegoed, Demoed 1987
- Over boermarken, artikel van H. Stegink in de Zwerfsteen 1989
- Diverse internetpublicaties, waaronder Rechtspersonen Register, Historisch Emmen, Marken in Overijssel, Drents Archief Geschiedenis van Drenthe Historie van het Kadaster, Geschiedenis van Coevorden.
