Iets over boermarken in Drenthe
Zooals bekend is, heeft Drenthe groote heidevelden. Voor 1850 waren die heidevelden onverdeeld. Zoo’n heideveld werd genoemd de boermarke. De grootte van de boermarken der Drentsche dorpen en gehuchten was zeer verschillend. Er waren er, die uit nog geen honderd H.A. bestonden, maar ook van een paar duizend Hectaren.
Na 1850 sprak men van gescheiden en ongescheiden boer-Marken. De gescheiden marke was het meestal vlakke heideveld, de ongescheiden marke bestond uit gronden die niet scheidbaar waren, zooals dorpspleinen, breede driftwegen, beide soort gronden meestal met opgaand hout beplant.
De waarde van gescheiden heideveld was tot voor 20 jaar nog, als het publiek ten verkoop werd aangeboden, van f 5 tot ruim ƒ 10 per H.A. Bij aankoop van heidegrond voor de boschcultuur, waarvoor het Rijk en de gemeenten het nu aankoopen, bedraagt de koopwaarde f 6o tot f 100 per H.A., mits het in complexen verkrijgbaar is.
De toestand van de ongescheiden markegronden, veelal de ongescheiden „waar” genoemd, is in de verschillende dorpen en gehuchten zeer uiteenloopend. ’t Is hier de vraag maar heeft eene boerschap veel of weinig houtgewas op zijne ongescheiden gronden en heeft zij nog al vrij wat, of geheel geene jaarlijksche inkomsten?
Voor wij verder gaan moeten wij even mededeelen dat die ongescheiden gronden bestaan in aandeelen. De geheele boermarke, dus ook wat thans gescheiden is, bestond vroeger uit 9 hoofddeelen, die men waren noemde. Wie dus een volle waar zou bezeten hebben, was door 1/9 deel gerechtigd in alle toen nog ongescheiden gronden. Deze waren zijn echter weer in onderdeden verdeeld. Er zijn nog eigenaren die in de ongescheiden waar, waarop dezelfde indeeling van toepassing bleef, een halve waar, 1/18 deel, bezitten. Meer zijn er met een „vorrel” 1/4, of het 1/36 deel, nog meer met een half vorrel, 1/72 deel van die ongescheiden waar.
Nu heeft het kerkdorp Borger een aanzienlijke ongescheiden waar. Vooreerst heeft het den Borgerder Koesteeg, een breeden driftweg door de Korenesch, met aarden wallen ter zijde, en binnen die wallen ongeveer een duizendtal eikenboomen op gewas, dan een terrein van ruim 4 H. A., waarop in 1819 een dennenbosch werd aangelegd. Jaren lang werd in Januari of Februari eene houtverkoop gehouden, tot zoolang dat al het dennenhout verdwenen was. Daarna werd dat terrein met akkermaalshout beplant, wat nu veel minder voordeden oplevert dan vroeger. Maar omdat het terrein aan een openbaren weg ligt en te Borger in de laatste jaren veel aanbouw plaats heeft, worden aan den weg reeds bouwterreinen verkocht, in 1923 reeds drie.
Verder behoort tot die ongescheiden marke nog de „scheperij, zijnde een woonhuis met eenig land, vroeger, toen hier nog ruim 1000 heideschapen waren, bewoond door den scheper” of schaapherder van die kudde. Nu wordt deze scheperij verhuurd en brengt jaarlijks ongeveer f 200 op. Er is op ongescheiden gronden nog veel meer dan het genoemde houtgewas, waarop men hier zuinig is zoolang het hout nog in den groei is.
In den Koesteeg, werden in 1923 twee rijen boomen geveld omdat deze van een klinkerweg, in verband met een idem weg Borger—Rolde, zou worden voorzien. Ook deze noodzakelijke houtverkoop stijfde de kas der markgenooten.
Nu wordt eenmaal in het jaar in eene vergadering van de aandeelhouders en verantwoording gedaan en dan een deel van de ontvangsten uitgekeerd, welke dividenden in verhouding tot het kapitaal hetwelk de aandelen vertegenwoordigen, aanzienlijk zijn.
Over die waarden het volgende ter toelichting.
Wanneer eene boerderij wordt verkocht, komt daarbij in veiling een een vorrel of halfvorrel waardeel in de ongescheiden. Zoolang de bovengenoemde dennenverkoop nog niet geeindigd was, werden de vorrels of halfvorrels verkocht voor f. 250 of f 125. later f 120 en f 6O, een maal daalden de halfvorrels tot 45. In latere jaren werden zij weer duurder. Het eenigste voordeel dat de aandeden opleveren, bestaat in de ontvangst van het dividend.
In 1923 bedroeg de opbrengst der geheele ongescheiden marke van Borger f. 3600. Zij werden verminderd met uitgaven voor wegenonderhoud, onderhoud van het verhuurde vroegere schepershuis, ook wordt er wel eens eene kleine werkverschaffing geopend, en de secretaris-penningmeester zorgt eenig kasgeld te behouden voor onvoorziene uitgaven in het eerstvolgend jaar. Zoo werd hier dan een bedrag van f 2880 verdeeld, waardoor voor een halve waar f 28O voor een vorrel f 9O en voor een half vorrel f 45 werd uitgekeerd.
Hoewel te verwachten is dat de volgende jaren bij 1923 zullen ten achteren blijven, is toch eene uitkeering van f 15 tot f 25 per halfvorrel geen zeldzaamheid.
Dat de ongescheiden waar te Borger zulke voordeelen levert, is het gevolg van het streven van de aandeelhouders der vorige eeuw, om zooveel aan aanplanting te doen.
Van de ongescheiden waren in andere boerschappen (dorpen en gehuchten) zijn zulke voordeelen niet bekend. Meestal zijn er de ontvangsten wel benoodigd om de noodzakelijke uitgaven te dekken. Ook zijn daar de scheperijen, te Drouwen, Buinen, Ees, Westdorp na het afschaffen der heideschapen verkocht en de opbrengsten verdeeld.
Waar men nog heideschapen heeft, zooals te Grollo, Rolde, tip en andere in de gemeente Westerbork, bestaan de scheperijen nog.
Waren er geen markgenootschappen en geen ongescheiden boermarken in Drenthe, dan zou het eikenhout er al lang verdwenen zijn. Het hout van particulieren werd in de tweede helft der vorige eeuw bijna overal verkocht omdat de scheepsbouwers het toen zoo duur maakten, die het naar de Groninger veenkolonieën vervoerden. De ijzeren scheepsbouw bracht naderhand eene daling in de houtprijzen. De kuiperijen, voor het maken van houten melkvaten en emmers, verdwenen, de landbouwers kochten geen eikenhout meer om, zooals hunne voorouders, wagenhout in voorraad te hebben, en zoo daalde , de animo bij de Drentsche houtverkoopdagen in de wintermaanden, welke vroeger eene feestelijkheid in een dorp of gehucht waren, wijl de verkoopers in den tijd waarin onze drankwet nog niet ingevoerd was, steeds gratis sterken drank uitdeelden.
Voor 1850, den tijd der boermarkescheidingen in Drenthe, werden nog door de aandeelhouders in de boermarke kleine aanpootingen gedaan van opgaand eikenhoutgewas. De ruimten daarvan, ontstaan door eene kromming in een weg, eene verbreeding, die aan den ouden tijd herinnerde, werden door de markgenooten verdeeld, niet in eigendom, maar voor het recht er boomen te poten. lemand noemde dan zoodanig plekje met 5 tot 10 boomen daarop zijn „poot” (pootrecht). Die bowlen zijn later geveld en liet volmachtencollege zorgde er wel voor dat dit pootrecht niet op de erfgenamen van den vroegeren poter is overgegaan. Deze poothoekjes verdwenen langzamerhand, hetzij door het recht maken van een krommen weg of straat of door aansluiting aan eenigen tuingrond waarvoor er voor betaald werd. Voor ongeveer 30 jaar kenden wij te Borger nog boomen die tot zoodanigen poot behoorden, maar in dezen tijd heeft niemand meer zoodanig pootrecht op onverdeelden markegrond. Onder de ons bekende dorpen in oostelijk Drenthe die thans nog het meeste „boerhout” bezitten, behooren Odoorn, Borger en Eext in de eerste plaats genoemd te worden.
